In de Oost was ik geplaatst op de Hr.Ms.Abraham van der Hulst.
De Commandant had de gewoonte om nogal eens te oefenen.
Stilliggen-volle
kracht vooruit-stilliggen-halve kracht vooruit-stilliggen!
Wij op de stookplaat renden van links naar rechts,branders bij,pompen
sneller,meer lucht,waterpeil in de gaten houden , meer stoom voor de
machinekamer,stoppen,alles weer andersom want we liggen weer stil !
Alles en iedereen
over de rooie,want de brug foeterde dat er zwarte of witte rook uit de
schoorsteen kwam en dat mag niet bij de Marine !
Wij stokers hebben wat gesproken met Onze Lieve Heer!
En dan storm in de Indische Oceaan.
Maar je moet toch dienst doen op de plaat en als die verdomde waterpomp weer
vastslaat, sta je met een koevoet te wringen om hem weer op gang te brengen en
heb je geen tijd meer om zeeziek te zijn.
Pompen moet ie ! Op je slippers en korte kakibroek en een zweetlap om je nek zit je dan toch voldaan op een oud ijzeren munitie-kistje uit te rusten.
In de Rode Zee gingen tijdens de passage de ijsdonky's op slot, omdat ijswater teveel afkoeling zou geven en kwamen er ketels met lauwe thee te voorschijn.
Ook werden de brandkranen aan dek opengedraaid, zodat er zeewater over de dekken stroomden, zo heet was het. Maar met passagieren ben je weer helemaal de Janmaat in zijn "pakkie-an deftig" en is er van ontberingen niets meer te bespeuren.